printen     versturen    

Aardolie

Een groot deel van onze energievoorziening is van aardolie afhankelijk. Als we aardolie verbranden, gebruiken we feitelijk de zonne-energie die miljoenen jaren geleden door kleine zeediertjes is opgeslagen.

Ruwe aardolie bestaat uit koolwaterstoffen. Dat zijn moleculen die alleen uit koolstof en waterstof zijn opgebouwd. Ruwe olie kan uit meer dan 200 verschillende van deze koolwaterstoffen bestaan. De meeste van deze moleculen bevatten niet meer dan 20 koolstofatomen.

In raffinaderijen kunnen de verschillende koolwaterstoffen naar grootte 'gesorteerd' worden. Dat gebeurt in de zogenaamde kraakinstallaties. Moleculen met zes tot tien koolstofatomen worden bijvoorbeeld verwerkt tot benzine, 14 tot 17 koolstofatomen vormen diesel.

flesje met ruwe olie
flesje met ruwe olie
Rottend plankton

Hoe aardolie precies wordt gevormd is lange tijd punt van discussie geweest. Over één ding zijn de meeste wetenschappers het eens: olie wordt gevormd uit de resten van levende organismen die vroeger hebben geleefd. Veruit de meeste olie wordt gevonden in de buurt van gesteenten die in zee zijn gevormd. Daarom gaat men ervan uit dat olievorming in zee begint. In zee wemelt het van het plankton. Dit zijn één- en meercellige dieren en planten, die met de stroom meedrijven. Als deze organismen afsterven, komen ze op de zeebodem terecht en worden normaal gesproken verteerd. Als er bij de zeebodem echter geen of heel weinig zuurstof aanwezig is, wordt het rottingsproces sterk geremd. Er vormt zich dan een laag op de zeebodem die zeer rijk is aan resten levend materiaal.

In de diepte

In de loop van de tijd zal een dergelijke laag met organisch materiaal worden bedolven onder nieuwe afzettingen. Naarmate er meer aardlagen worden afgezet, zal de druk en de temperatuur in de laag met planktonresten toenemen. Als de laag uiteindelijk is bedekt met één tot zes kilometer sediment, en als de temperatuur tussen de 50 en 150°C ligt, kan het proces van olievorming beginnen.

De organische resten worden onder deze omstandigheden afgebroken tot koolwaterstoffen. Uit chemische analyses blijkt dat het met name de vetten zijn die worden omgevormd tot oliemoleculen. Dergelijke analyses toonden stoffen aan die lijken op bladgroen. De aanwezigheid van deze stoffen is eens te meer een aanwijzing dat olie onder andere uit fossiele plantjes is ontstaan.

Ondergrondse opslag

Zolang de olie zich bevindt in de laag waar hij is gevormd, kan hij nog niet worden gewonnen. Daarvoor moet het eerst terechtkomen in een laag waarbij dat wel kan, het zogenaamde reservoirgesteente. Dat proces begint als de oliemoleculen door de opwaartse druk vanuit het moedergesteente omhoog sijpelen. Als de olie geen barrières tegenkomt, kan het uiteindelijk de oppervlakte bereiken. De olie kan echter ook terechtkomen in een zandsteen of een poreuze kalksteen, waar het de ruimten in het gesteente vult. Als een dergelijk gesteentepakket is afgesloten door een ondoordringbare laag, dan wordt de olie gevangen in het reservoirgesteente. Het zit dan in een natuurlijke ondergrondse opslagplaats. Om economisch winbaar te zijn, moet de olie dan ook nog op bepaalde plaatsen zijn opgehoopt. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het reservoirgesteente is geplooid. Er ontstaat dan een ondergrondse koepel. Door de opwaartse druk zal de olie zich boven in deze koepel verzamelen, van waaruit hij gewonnen kan worden.