printen     versturen    

Aardewerk uit Brunssum-Schinveld

Een heuvel in Brunssum van zes meter hoog, helemaal van scherven en potten: een afvalberg van een middeleeuwse pottenbakkerij. Ook deze veldfles en smeltkroes zijn in de pottenbakkerij Brunssum-Schinveld gemaakt.

Naast aardewerk werden twee liggende ovens opgegraven, waarin het vuur naast de te bakken potten brandde. Zo konden hogere temperaturen bereikt werden dan met verwarming van onderen. Het aardewerk was er minder poreus door, maar het bakproces duurde langer en was riskanter.

In de 14de eeuw neemt de aardewerkproductie in Brunssum af, door concurrentie van Rijnlandse pottenbakkerijen en stedelijke bakkerijen in de rest van Nederland.

RMO
1350-1375, Heerlen, h. 18 cm

De eigenaar van het kasteel in Brunssum (Zuid-Limburg), baron de Négri, maakte in 1875 reeds melding van een merkwaardige heuvel in de nabijheid van zijn woonverblijf. Deze bestond namelijk helemaal uit scherven en potten en was ruim zes meter hoog. Terecht veronderstelde Négri dat het hier om afval van een middeleeuwse pottenbakkerij ging.

Het duurde tot 1942 voordat er wetenschappelijk onderzoek plaatsvond naar dit productieafval. Vooral tussen tussen 1954 en 1964 werden er opgravingen uitgevoerd, waarbij enorme hoeveelheden aardewerk te voorschijn kwamen. Soortgelijk aardewerk werd in het nabijgelegen Schinveld aangetroffen en daarom wordt dit aardewerktype aangeduid met de groepsnaam Brunssum-Schinveld. De veldfles uit Heerlen en de smeltkroes zijn in de pottenbakkerswerkplaatsen van Brunssum-Schinveld vervaardigd.

Nu werden er niet alleen potten en scherven opgegraven, maar ook twee ovens. Deze waren van het liggende oventype, dat wil zeggen dat het vuur naast de te bakken potten brandde. Er is ook een staand oventype bekend, dat de Romeinen bijvoorbeeld gebruikten. In een dergelijke oven brandt het vuur onder de potten en worden bakgoed en vuur door een rooster van elkaar gescheiden. Het liggende oventype maakte het mogelijk met hoge baktemperaturen te werken (tot circa 1160º C.). De pottenbakker kon daarmee een beter product maken. Een van de nadelen van het aardewerk toentertijd was namelijk dat het erg poreus was. Door het aardewerk bij hogere temperaturen te bakken, sinterde de klei en werd het aardewerk minder poreus.

De tertiaire, ijzerarme kleien die in Zuid-Limburg gevonden worden, kunnen een hoge temperatuur verdragen. Dit in tegenstelling tot de holocene, ijzerhoudende (en roodbakkende) kleien elders in Nederland. Daardoor neemt het Limburgse aardewerk een aparte plaats in onder de Nederlandse pottenbakkersproducten.

Het opvoeren van de baktemperatuur kent een aantal technische bezwaren. Zo traden er grote spanningen op in de te bakken producten, waardoor het aantal misbaksels per stookbeurt toenam. Bovendien waren sommige vormen niet langer geschikt om mee te bakken vanwege de daarbij optredende interne spanningen, die met name bij grote potten en schalen optraden. Ook had de oven meer te lijden van de grote hitte, en kon de pottenbakker minder vaak bakken, omdat het bakprocédé meer tijd vergde.

Het opvoeren van de baktemperatuur is geleidelijk gegaan. Rond 1050 produceerden de Zuid-Limburgse pottenbakkers nog de zogenaamde Pingsdorf-waar. Maar door de temperatuurverhoging sinterde de klei en had het aanbrengen van beschilderingen geen zin meer. Vanaf circa 1250 ontwikkelde het Pingsdorf-aardewerk zich daardoor in de richting van proto-steengoed. De buitenzijde van dit steengoed werd vaak helemaal voorzien van een leempap of een zoutglazuur. Bovendien komen op de steengoedkannen nu ribbels voor op de schouders, die ervoor moesten zorgen dat deze producten tijdens het bakken niet aan elkaar gingen plakken.


RMO
1200-1250, h. 13,3 cm

De aardewerkproductie van Brunssum-Schinveld gaat in de loop van de 14de eeuw achteruit. Niet alleen de concurrentie van pottenbakkerijen in het Rijnland is daar de oorzaak van, maar vooral het ontstaan van stedelijke pottenbakkerijen in de rest van Nederland. Die maakten gebruik van de roodbakkende kleien, die ze bovendien van loodglazuur voorzagen om de porositeit van het eindproduct te verminderen. Dit aardewerk werd onder minder hoge temperaturen gebakken. Door deze concurrentie zag de op export gerichte Zuid-Limburgse aardewerkindustrie zich genoodzaakt vooral de locale markt te gaan bedienen.